- Door Sjoerd-Jeroen Moenandar
Zoals zo vaak zit ik dit jaar op vijfentwintig december in het vliegtuig omdat vliegen op die datum erg goedkoop is. Kerst doet mij tegenwoordig niets meer, dus van dat voordeel maak ik graag gebruik. Niet dat ik overigens zonder kersttraditie opgegroeid ben. Mijn moeder verzamelde op kerstavond graag haar vele zonen om zich heen voor een ritueel dat jaar in jaar uit hetzelfde verliep. Eerst stak zij de kaarsjes in de kerstboom aan. Vervolgens las zij een stuk uit de bijbel (Matteus:1-2 of Lucas:2) en een kerstverhaal voor (het enige moment van het jaar dat de Bijbel bij ons thuis ter hand genomen werd), waarna alle aanwezigen een boek cadeau kregen.
De eerste keer dat ik kerst van huis vierde was ik achttien en woonde ik in IJsland. Nostalgisch gestemd omdat ik het jaarlijkse ritueel moest missen, besloot ik een Bijbel te kopen. Het werd
The New Jeruzalem Bible. Dat had niets te maken met de kitscherige omslag, die versierd was met twee melancholische engeltjes uit
De Sixtijnse Madonna van Rafaëllo die halverwege de jaren negentig een alomtegenwoordig modeverschijnsel waren. Nee, ik kocht deze Bijbel vanwege een zinnetje op het achterplat dat mij, toen ik het las in de boekwinkel, in lachen deed uitbarsten. De uitgever had namelijk – nogal ongebruikelijk bij de Bijbel – een aantal citaten laten afdrukken om de koper over te halen om zijn product aan te schaffen. De bovenste luidde: ‘“
Truly Magnificent” - Journal of Biblical Literature’.
Het maakte op mij een volkomen belachelijke indruk en nog steeds stel ik me, iedere keer als ik deze zin op de omslag van mijn Bijbel lees, voor hoe een literaire recensent in zijn studeerkamer zit en net een aantekening gemaakt heeft in de trant van: ‘Leuk geprobeerd, meneer Brown, maar dit Da Vinci gedoe is het toch echt niet’. Hij reikt naar het volgende boek van zijn stapel recensieëxemplaren van die maand en denkt bij zichzelf: ‘Eens kijken – wat hebben we hier? Ah, “De Bijbel”. Het bijgaande persbericht van de uitgever heeft het over een “verhaal over
alles, met een dappere protagonist die bereid is alle zonde van de wereld op zich te nemen. Geschreven in een magisch realisme dat doet denken aan Borges en Marquez”… hmm, klinkt interessant.’ Vervolgens leest hij het boek, is diep onder de indruk, schrijft een enthousiaste recensie met daarin de zin ‘waarlijk magnifiek!’ en geeft het werk vierenhalf van vijf sterren.
Ik bedoel, kom op, wat zou een recensent van een tijdschrift met de naam
Journal of Biblical Literature anders over de Bijbel schrijven? “Die lijst van namen in Koningen I en II zijn nogal saai – ze halen de vaart uit het verhaal” of “Als Jezus aan zijn vierde wonder begint, wordt het een beetje langdradig’ of ‘Het voortdurende gebruik van de
deus ex machina toont het onvermogen van de auteur om met een goed plot te komen’ of ‘men krijgt het gevoel dat dit verhaal verteld had kunnen worden in minstens de helft minder pagina’s’?!
Overigens waren nostalgische overwegingen niet de enige reden dat ik die dag tegen het einde van 1994 besloot een exemplaar van de Schrift aan te schaffen. IJsland was ongelooflijk duur. Ik was dan ook constant berooid en zocht, leesverslaafd als ik ben, zoveel mogelijk tekst voor zo weinig mogelijk geld. Mocht ik ooit een Bijbel uitgeven, dan zou dat mijn klantenlokkertje op het achterplat worden: ‘
De Bijbel – Het meeste boek voor de laagste prijs!’