Schlaffer heeft een enigszins geruststellende rekensom voor mij (5). Hij rekent mij voor, dat ik onmogelijk alle boeken kan lezen die jaarlijks verschijnen. Een grootverbruiker van literatuur leest misschien één boek per week, omgerekend zijn dat ongeveer vijftig boeken per jaar of zo'n drieduizend boeken in een heel lezend leven. Maar hij rekent mij ook voor, dat lezers jaarlijks met zo'n vijfduizend titels in recensies, advertenties en aanbevelingen geconfronteerd worden – om over de verwijzingen in literatuur naar andere (literaire) werken maar te zwijgen! Hij concludeert, dat van de vijfduizend werken die lezers jaarlijks op hun netvlies krijgen, zij slechts één procent kunnen lezen. Ik lees zo'n dertig titels per jaar – maar voor de werken waarmee ik ieder jaar geconfronteerd word, heb ik al een heel leven nodig om te lezen. Ik kan niet bijhouden wat er allemaal van de literaire pers rolt en ik heb waarschijnlijk al een dagtaak aan het aantal boeken dat jaarlijks als Nederlandse literatuur verschijnt. Ik kom zeker niet toe aan het herlezen van een boek of het bij elkaar lezen van 'De Canon' van de Nederlandse literatuur (wat dat vanuit literatuurwetenschappelijk oogpunt ook moge zijn) – om maar de Engelse, Russische, Franse, Duitse en wereldliteratuur (nog zo'n lastige literatuurwetenschappelijke kwestie) buiten beschouwing te laten!
Gelukkig ben ik niet alleen. Iedere lezer wordt met het door Schlaffer berekende literaire onvermogen geconfronteerd. Literatuurwetenschapper Philipp Swallow uit Small world van David Lodge (een boek dat ik overigens niet gelezen heb, maar ter illustratie klakkeloos uit het artikel van Schlaffer overneem) neemt op weg naar al zijn literaire congressen La divina commedia van Dante mee – iets wat iedere literatuurliefhebber en zeker iedere professionele literaat gelezen heeft, maar waarvan Swallow het lezen altijd heimelijk uitstelt (en afstelt) (7). La divina commedia heb ik ook op de plank staan (een prachtexemplaar in twee delen met gouden omslag en in een cassette). Ieder nieuwjaar neem ik mij voor het werk nu eens écht uit te lezen, hoewel ik in werkelijkheid het cellofaan nog van de cassette moet halen. Hetzelfde geldt voor Ulysses van James Joyce. Mijn kennis van het literaire werk ontleen ik aan een studiegenoot en een glas wijn, de wetenschap dat Ulysses zich altijd weer opdringt in artikelen van weledelgeleerde letterkundigen en ik weet dat je een tweedehands exemplaar bij De Slegte kunt kopen voor acht euro. Overigens – niet bepaald de literaire kennis waar je tijdens feestjes en familiebezoekjes op kunt bogen.
Opnieuw verontrust door mijn klaarblijkelijke literaire onvermogen concludeer ik, dat ik niet alle boeken lezen kan (waar mijn gesprekspartners kennelijk wel aan toekomen?). Hoe kom ik dan aan mijn literaire kennis? Schlaffer noemt maar liefst zeventien verschillende vormen van lezen, waarbij werken vaak 'niet helemaal' en nog vaker 'helemaal niet' gelezen worden. Kennis van literatuur wordt namelijk niet door de optelsom van gelezen literaire werken bepaald, maar de omgang met teksten bepaalt de literaire kennis. Om kennis van een werk te hebben hoeven lezers de tekst niet noodzakelijkerwijs gelezen te hebben. Lezers worden namelijk op verschillende wijze met hun jaarlijkse portie titels geconfronteerd, bijvoorbeeld in de media of op de boven- genoemde feestjes en familiebezoekjes. Al deze confrontaties leveren lezers (literaire) kennis op zonder dat zij zelfs ook maar de titel van de desbetreffende tekst gelezen hebben. Ik ben niet voornemens om alle zeventien vormen van literaire omgang te bespreken, maar een paar wil ik illustreren – want ik heb gelukkig nog wel een aantal ongelezen boeken op de plank staan.
Er zijn teksten die iedereen gelezen zou moeten hebben maar uitstelt of het liefst vermijdt zoals Virginia Woolf over The Faery Queen van Spenser schrijft (opnieuw een uitgelezen voorbeeld van Schlaffer), “The first essential is, of course, not to read The Faery Queen” – zij spoort literatuurliefhebber en literaat aan het lezen ervan zo lang mogelijk uit te stellen: “Grind out politics; absorb science; wallow in fiction; walk about London; observe the crowds; calculate the loss of life and limb; rub shoulders with the poor in markets; buy and sell; fix the mind firmly on the financial columns of the newpapers; weather; on the crops; on the fashions” (9) en wat dies meer zij. Wanneer uitstel écht niet langer mogelijk is, lees dan The Faery Queen. Ik stel al jaren het lezen van J.K. Rowling's Harry Potter uit (ik ben nog nooit in een deel begonnen) en van Simon Vestdijk's Anton Wachterromans heb ik (alle goede voornemens ten spijt) slechts één deel gelezen.
Er is verder een andere vorm van literaire omgang waar ik mij schuldig aan maak, namelijk: het voorgewende lezen. Wanneer mij naar Ulysses gevraagd wordt, denk ik alleen aan mijn studiegenoot (en het glas wijn). Ik zwijg, zet een bedenkelijke blik op en hoop dat mijn gesprekspartner mij wat literaire handvatten geeft of mijn bedenkelijke zwijgen opvat als teken van een uitvoerige literaire analyse, want zo'n meesterwerk laat zich natuurlijk niet in één zin samenvatten – dat behoeft geen enkel betoog. Gelukkig ben ik opnieuw niet alleen. De BBC houdt zelfs lijstjes bij met meest ongelezen of niet uitgelezen boeken. Naast Ulysses bevinden zich ook andere illustere (en illiterate?) meesterwerken op de lijst zoals Salman Rushdie's Satanic Verses, Dostojewski's Schuld en boete en Tolstoj's Oorlog en vrede en die staan allemaal in het cellofaan naast La divina commedia in mijn boekenkast. Overigens – Rowling laat de literaire meesters achter zich en bezet met Harry Potter IV de tweede plaats op de lijst.
Ik kom haast tot de conclusie, dat lezers liegers en bedriegers van het ergste soort zijn, want slechts één vorm van literaire omgang uit Schlaffer's artikel heeft betrekking op het volledig lezen van een bepaald werk. Voor de andere vormen hoeven lezers de desbetreffende tekst meestal niet (helemaal) te lezen. Uit bovenstaande voorbeelden blijkt, dat ook ik niet alle boeken uit mijn boekenkast gelezen heb en vermoedelijk (alle goede voornemens ten spijt) ook niet aan alle ongelezen werken zal toekomen. Klaarblijkelijk werkt de aanwezigheid van de nog te lezen boeken als een soort valium voor mij – ik vind het geruststellend. Ook dit is geen onbekend verschijnsel en Schlaffer neemt de geruststellende werking van ongelezen boeken op in zijn canon van het (niet-)lezen (5).
Hoewel ik mijzelf nog altijd als grootverbruiker van literatuur beschouw, blijven
mijn ongelezen maar komend jaar écht te lezen boeken zich zonder pardon aan mijn literaire bewustzijn opdringen. Dit schrijvende had ik mij natuurlijk ook op Goethe's Faust of E. du Perron's Land van herkomst kunnen storten en ook jij (de lezer van dit stuk) was wellicht liever jouw voorgerekende literaire onvermogen met een boek te lijf gegaan. Gelukkig kun je na het lezen van mijn schrijven de rekensom van Schlaffer aanhalen – overigens ook een ongelezen vorm van literaire omgang – om je op nieuwjaarsborrels of (nog erger!) tijdens familiebezoekjes tegenover teleurgestelde gesprekspartners te verontschuldigen, dat ook dit jaar Dostojewski's Schuld en boete, Joyce's Ulysses of wat dies meer zij opnieuw tot je goede voornemens behoort.
Petra Boudewijn
Verder lezen? Schlaffer, Heinz, “Aufsätze – Der Umgang mit Literatur. Diesseits und jenseits der Lektüre” in: Poetica. Zeitschrift für Sprach- und Literaturwissenschaft 31:1-2 (1999), 1-26.